Nationale Boomgaardenstichting vzw
Leopold III-straat 8
3724 Vliermaal
tel.: +32 (0)12 39 11 88
fax: +32 (0)12 74 74 38
info@boomgaardenstichting.be
NBS30jaar

Onderzoek preventie en beheersing
Zwarte Kersenvliegpopulatie in kersenhoogstambomen in boomgaarden en kwekerijen

 

We volgen het wetenschappelijk onderzoek over de mogelijke vectoren van dit virus nauwlettend op binnen het VLAIO project LA -140967 “Kennisgebaseerde praktijkmaatregelen voor een betrouwbare beheersing van Little cherry virus (LChV)”, waarbij de NBS deel uitmaakt van de gebruikersgroep. De promotoren van dit project zijn PCFruit en ILVO. Binnen dit onderzoek wordt er ook nagegaan of de zwarte kersenvlieg (Myzus cerasi) een mogelijke vector is voor de verspreiding van het Little Cherry Virus. Indien zou bevestigd worden dat de op de kersenbomen courant voorkomende zwarte kersenluis een mogelijke vector is, willen we reeds met een aantal doelgerichte adviezen als beheersmaatregelen klaarstaan. Daarom is een oriënterend onderzoek in dit verband noodzakelijk.

In 2016 deden we een oriënterend onderzoek:

  • aantal haarden per boom in onbehandelde boomgaarden en kersenboomkwekerijen, evolutie van de populatie - aantal haarden na het toepassen van een aantal biologische beheersmaatregelen.)
  • Locaties: de kersencollectie op hoogstam kersenbomen, intensief geplant op perceel ‘Gulmer’ (totaal 188 bomen) en het boomkwekerijperceel van de NBS (kwekerij Alden Biesen).

Biologische maatregelen voor het beheersen van de populatie zwarte kersenvlieg (Myzus cerasi) in kersenaanplanting. Vooral jongere, sterk groeiende bomen hebben meer kans op scheutinfecties in het voorjaar door de zwarte kersenluis. In intensievere beplantingen is er een groter risico voor de uitbreiding van de populatie.

  • Uitgevoerde acties:

- het stikstofniveau in de collectieboomgaard en in de kwekerij werd niet extra opgetrokken (geen toepassing van kunstmeststof, ook geen mulching of toevoeging compost). Op deze manier wordt de scheutgroei niet sterk gestimuleerd, waardoor ze minder aantrekkelijk worden voor de zwarte kersenluis.
- de in het vroege voorjaar ontdekte haarden (eerste infecties van de zwarte luis werden in 2016 vastgesteld op 10 mei) werden weggeknipt. De stammoederluizen ontluiken in april en produceren enkele generaties ongevleugelden die de groeiende scheuttoppen bezetten en er zich vermeerderen. De topbladeren krullen en bevatten de levend barende luizen, die er ernstige zuigschade veroorzaken. In juni vertrekt de gevleugelde generatie naar een tussenwaard (kruiden zoals walstro, ereprijs en andere kruiden).

Om voorjaarsuitbreiding door de ongevleugelde luizen van de kolonies te voorkomen en om uitbreiding van de populatie te belemmeren, snijden we zo veel mogelijk aangetaste scheuttoppen uit de bomen en verwijderen deze luizen uit de boomgaard of kwekerij. Op deze manier zien we de kolonies jaar na jaar verminderen. In 2015 verwijderden we nog 78 met luizen geïnfecteerde scheuttoppen op beide percelen (in vergelijking met het aantal aanwezige scheuttoppen was dit reeds zeer weinig; aantal bomen: 188, gemiddeld aantal scheuttoppen per boom9;  % geïnfecteerd 4.6%). In 2016 was dit nog verder gedaald tot 41geïnfecteerde scheuttoppen (2.4%).
- de gekende tussenwaardkruiden zoals ereprijs en walstro werden expliciet uit de boomkwekerij geschoffeld. Door intensiever maaien onder de collectiebomen waren daar reeds minimaal van deze kruiden aanwezig, zodat hier enkel door invlieg van buiten het perceel terug nieuwe najaarsinfecties kunnen plaatsvinden. Eind mei/begin juni merkten we dat mede door de nuttige predatoren en door het uitvliegen van gevleugelde exemplaren er geen levende luizen meer te vinden waren in de kolonies.

De zwarte kersenluis als mogelijke vector voor het Little Cherry Virus: onderzoeksresultaten door PCFruit: in 2016 werden de eerste proeven gestart om de mogelijke vectoren van het LChV1 en LChV2 te detecteren. In eerste instantie werden er determinaties gedaan van insecten (mogelijke vectoren van virussen en fytoplasma’s) die in kersenboomgaarden en –plantages voorkomen. Tijdens het voorjaar van 2017 werden de eerste proefnemingen gestart in serre- of Labo-omgeving om te kijken of een aantal van deze insecten, waaronder de zwarte kersenluis mogelijke vectoren zouden kunnen zijn van de kleinvruchtigheidsvirussen. Tot nu toe nog zonder concreet resultaat. De eerste ‘PCR analyses’ op insecten mislukten, omwille van een technische reden. In een volgend onderzoek zal dit herhaald worden.

 

© 2014 Boomgaardenstichting